Speculatie bij een vliegtuigramp betekent het vormen van theorieën, aannames of gissingen over de oorzaak van de crash zonder voldoende bewijs of feitelijke onderbouwing. Het is het bedenken van dingen die misschien waar kunnen zijn of misschien gebeuren, maar waarbij men dat niet zeker weet. Zoals we hebben geleerd van de vliegramp in de Bijlmermeer kan speculatie tot erg veel ongerustheid leiden, die moeilijk te ontzenuwen is, en die eigenlijk niet nodig was.
Speculatie voorkomen bij een luchtvaart-ongeval is iedereen’s verantwoordelijkheid
In de onderstaande bijdrage wordt uitgelegd hoe complex de informatieverzamelingsfase is, en hoe groot daarbij de onzekerheid is. Voorkomen moet worden dat men naar een doelredenering toewerkt. Er zal altijd een spanningsveld bestaan tussen de media die snel een antwoord willen en speculeren, en een zorgvuldig onderzoek. Alhoewel het bij El Al 1862 al binnen twee weken duidelijk was dat het om de motorophanging ging, duurde het 9 maanden onderzoek om de 'control loss' te onderzoeken. Dat heeft weinig te maken met een 'gesloten onderzoeksomgeving', maar alles met zorgvuldigheid.
Speculatie en Waarheid: Een Waarschuwing
Speculatie tijdens een luchtvaartonderzoek is onvermijdelijk. Maar wees voorzichtig: laat de feiten spreken, niet speculatie.
De tragedie van EL AL 1862
Het neerstorten van EL AL 1862 was een tragedie. Een schokkende gebeurtenis met veel vragen, en veel leed en verdriet. Een herinnering dat in de luchtvaart zelfs één verkeerde stap levens kan kosten. Achteraf gezien bleek het een opeenvolging van stappen te zijn die zich tot een catastrofaal ongeluk opstapelden. Een ongeval is vrijwel nooit het gevolg van slechts één oorzaak. In de Bijlmervliegramp was dat ook het geval.
Al binnen enkele uren ontwikkelden en verspreidden zich theorieën. Tegenwoordig worden media, Facebook en WhatsApp-groepen overspoeld – niet met condoleances, maar met theorieën, politieke uitspraken, halve conclusies en verdachtmakingen. Zelfs aandelenbeurzen reageren binnen uren. Iedereen 'staat op scherp'. Iedereen weet dat dat zo gaat.
Zelfbenoemde experts
Plotseling worden mensen zonder noemenswaardige ervaring luchtvaartongevallenonderzoekers. Cabinepersoneel wordt aerodynamische expert. Een journalist en Cessna-172 piloot worden ineens Boeing 747-gezagvoerders met het lijkt wel tienduizenden uren ervaring. Grondafhandelaren delen "inside informatie." Zelfs vliegtuigbouwkunde-studenten, ooit voorzichtig met het woord "crash," beginnen conclusies te trekken op basis van horen zeggen.
Iedereen mag natuurlijk veel denken. Maar het op grote schaal verspreiden van onzekerheden, zeker op sociale media, is niet altijd respectvol, kent risico's en helpt vaak niet.
Waarom doen we dit? Om onze "luchtvaart intelligentie" naar familie en vrienden te demonstreren? Uit serieuze nieuwsgierigheid?
Het onderzoeksproces: precisie, geen giswerk
Laat me absoluut duidelijk maken: luchtvaartongevallenonderzoek is een vakdiscipline, beheerst door data, niet door meningen. Geen enkele hoeveelheid ervaring of intuïtie kan flight data recorders (FDRs), cockpit voice recordings (CVRs), onderhoudspapieren, ATC-communicatie en metallurgische tests 'overrulen'.
Hier is wat er na een luchtvaartongeval gebeurt:
-
Locatie afzetten (preservering): Eerste hulpverleners zijn getraind om bewijs niet te verstoren. Elke deuk, elke stand van roeren – alles is belangrijk.
-
Zwarte dozen zoeken: de Digital Flight Data Recorder (DFDR) en de Cockpit Voice Recorder (CVR) worden gezocht, vaak onder moeilijke omstandigheden. Deze apparaten registreren kritieke data en audio uit de cockpit, inclusief pilotencommunicatie. Ze kunnen ernsig beschadigd en moeilijk herkenbaar zijn (ze werden bijvoorbeeld bij de aanslag op de Twin Towers in New York nooit gevonden).
-
Data-analyse: Experts uit verschillende vakgebieden – vluchtuitvoering, vliegtuigconstructie, flight controls, avionica, motoren en menselijke factoren – en vliegtuigonderhoud interpreteren de data samen (altijd in groepsverband).
-
Onderhoud & engineering: Elke onderhoudsactie, AD-naleving (Airworthiness Directives), MEL-item en tech log entry wordt onderzocht.
-
Menselijke factoren: Bemanningsgedrag, vermoeidheidsanalyse, besluitvorming onder stress en cockpitdynamiek.
-
Eindrapport: Na maanden van analyse volgt een gedetailleerd rapport met waarschijnlijke oorzaken en veiligheidsaanbevelingen.
Dit is niet iets wat je tussen de middag doet. Tegelijk loopt er een zorgproces voor de luchtwaardigheid van de wereldvloot: hoe wordt ervoor gezorgd dat tijdelijke maatregelen de luchtwaardigheid van de wereldvloot kunnen garanderen?
Waarom stilte een vorm van respect is
Wanneer we overhaaste conclusies trekken, onbevestigde theorieën delen of zonder bewijs iemand de schuld geven, verspreiden we niet alleen verkeerde informatie – we tonen disrespect naar slachtoffers en professionals die dag en nacht werken om tragediën te voorkomen.
Elk ongeval komt tegen een zeer hoge en soms hartverscheurende prijs – voor passagiers, bemanning en slachtoffers op de grond.
Wat luchtvaartprofessionals, media en politici moeten doen
-
Stop met speculatie en overhaaste conclusies – of in familie-WhatsApp of onder collega's
-
Verduidelijk het onderzoeksproces in plaats van je in theorieën te verdiepen
-
Eer slachtoffers door waarheid te bepleiten, niet krantenkoppen
-
Spreek nooit zonder feiten; waarheid kost tijd
-
Onderzoek, publiceer en handel op basis van feiten. Spreek verantwoordelijk.
Terugblik: 1992 tot 2025
Speculatie is vrijwel altijd – het zit in de menselijke natuur. Het is niet per definitie negatief, omdat het helpt je gedachten te ordenen en scenario's te onderzoeken. Maar er zijn gevaren van speculatie, zeker ook in de media.
Destijds probeerden de ICAO onderzoekers in de aanvangsfase van het onderzoek sommige media tot voorzichtigheid te bewegen als zij er zeker van waren wat er in de krant stond niet correct was, zonder te reageren op aantijgingen en valse insinuaties. Maar, dat werkte in oktober en november 1992 niet. Men legde het zo uit dat men de mediaberichtgeving de mond wilden snoeren. Niets is minder waar. We waren tegenstanders van speculatie gebaseerd op onjuist begrip van feiten. Daarbij realiseerden we ons dat je het de media niet altijd kwalijk kan nemen dat er een zekere 'onbewuste onbekwaamheid' bij journalisten bestond. Daar zagen we risico's in. In het Bijlmerongeval kwam daar een enorme dosis wantrouwen bij. Die combinatie was op zich al erg 'toxisch'.
Sommige onderzoekers spraken zelfs uit dat bepaalde media misschien 'een verdienmodel' hadden – wat enkelen "sensatieverkoop" noemden – met spectaculaire en onwaarachtige onthullingen.
We kennen nu de "ramp na de ramp" die zich na 1993 voltrok. We kennen zelfs de derde variant: na dertig jaar in 2022 complottheorieën opnieuw leven ingeblazen door feit en fictie te mengen – omdat rampen tot de verbeelding blijven spreken. Daar schuilen ook gevaren in.
Dat "sensatieverkoop" verleidelijk blijft bij rampen – weten we allemaal. Maar het kan weinig respectvol naar de slachtoffers en nabestaanden zijn, de geen controle hebben over wat er in de media geschreven wordt.
Meer informatie in ICAO | ongevallenonderzoek EL AL 1862 en Geleerde lessen | ongevallenonderzoek EL AL 1862.
Speculatie anno 2025: niet anders dan in 1992
Lees hieronder nog eens na hoe er in 2025 wordt gereageerd op het ongeval met de Air India Boeing 787 crash in juni, en de verwijten die er al binnen één maand komen, terwijl te verwachten is dat zo’n onderzoek minstens één jaar zal kosten. Het lijkt wel of bij elke serieuze crash misinformatie, desinformatie en speculatie tot de maatschappelijke standaardingrediënten behoren en dat er altijd verwijten zijn over de informatievoorziening. In onze moderne tijd komt de desinformatie zelfs uit de hoek van de Kunstmatige Intelligentie (AI).
Van speculatieve reconstructie naar een hardnekkig maatschappelijk verhaal
Bij het terugblikken op de geschiedenis van de Bijlmervliegramp ben ik steeds terughoudender geworden met het begrip complottheorie. Het woord heeft een uitgesproken negatieve bijklank. Wie een bepaalde verklaring als complottheorie bestempelt, loopt het risico daarmee ook de mensen die deze verklaring aanhangen als irrationeel of onredelijk weg te zetten. Dat doet onvoldoende recht aan de omstandigheden waarin veel van die opvattingen destijds ontstonden.
Na de ramp van 4 oktober 1992 heerste grote onzekerheid. Er waren slachtoffers gevallen, bewoners hadden hun huizen en dierbaren verloren, en veel mensen vroegen zich af hoe een groot verkeersvliegtuig midden in een woonwijk had kunnen neerstorten. De beschikbare informatie was aanvankelijk onvolledig, de technische toedracht ingewikkeld en het vertrouwen in de overheid bij een deel van de bevolking kwetsbaar.
In die omstandigheden probeerden journalisten, politici, bewoners en andere betrokkenen zich een beeld te vormen van wat er werkelijk was gebeurd. Zij gebruikten daarvoor getuigenverklaringen, beschikbare documenten, eigen waarnemingen en informatie van de autoriteiten. Daarmee construeerden zij verklaringen voor de toedracht van het ongeval en de gebeurtenissen die daarop volgden.
Daar is op zichzelf niets verkeerds aan. Speculatie is van alle tijden en hoort bij het menselijk denken. Iedereen speculeert. We proberen voortdurend gebeurtenissen te begrijpen op basis van de informatie waarover we op dat moment beschikken. Wanneer die informatie onvolledig is, vullen we ontbrekende schakels voorlopig in met aannames, vermoedens en mogelijke verklaringen. Zonder dat vermogen zouden we nauwelijks nieuwe vragen stellen, verbanden ontdekken of hypotheses ontwikkelen.
Ook in wetenschap en ongevallenonderzoek begint het zoeken naar verklaringen regelmatig met vermoedens. Onderzoekers formuleren hypothesen, onderzoeken alternatieve scenario's en proberen vervolgens vast te stellen welke verklaringen door de beschikbare gegevens worden ondersteund. Speculatie is dus niet het tegenovergestelde van onderzoek. Zij kan juist het begin ervan zijn.
Dat geldt evenzeer voor de journalistiek. Een journalist mag wantrouwend zijn, kritische vragen stellen en speculeren over mogelijke misstanden. Sterker nog, zonder een gezonde dosis achterdocht zouden belangrijke misstanden wellicht nooit aan het licht komen. Een journalist hoeft een officiële verklaring niet zonder meer te accepteren en mag op zoek gaan naar alternatieve verklaringen. Juist dat behoort tot de maatschappelijke waarde van onafhankelijke journalistiek.
De grens ligt dan ook niet bij het speculeren zelf. Die ligt bij de manier waarop vermoedens worden gepresenteerd, onderzocht en vervolgens aan nieuwe feiten worden getoetst.
Niet alle verklaringen die na de Bijlmervliegramp ontstonden, waren even goed onderbouwd. Sommige berustten op aannames, vermoedens of onjuiste interpretaties van op zichzelf correcte informatie die door de Rijksluchtvaartdienst en de Raad voor de Luchtvaart was verstrekt. Andere ontstonden doordat gegevens uit hun technische of historische context werden gehaald. Zo konden verschillende feiten, waarnemingen en vermoedens worden samengevoegd tot een ogenschijnlijk samenhangend verhaal, zonder dat de onderlinge verbanden daadwerkelijk waren aangetoond.
Achteraf bezien vind ik het daarom nauwkeuriger om te spreken van speculatieve reconstructies of alternatieve verklaringsconstructies met complotachtige elementen , in plaats van deze zonder onderscheid als complottheorieën aan te duiden.
Dat betekent niet dat complotachtige gedachten geen rol speelden. Vermoedens over geheime militaire lading, nucleaire stoffen, betrokkenheid van geheime diensten of bewust achtergehouden informatie konden onderdeel zijn van zulke reconstructies. Maar niet iedereen die twijfelde aan de officiële lezing, ging noodzakelijkerwijs uit van een georganiseerd complot. Voor velen was de achterliggende gedachte eenvoudiger: men had het gevoel dat nog niet de volledige waarheid was verteld.
Die twijfel was in de eerste periode na de ramp niet op voorhand onbegrijpelijk. Ook onderzoekers werkten aanvankelijk met hypothesen die zij vervolgens aan nieuwe gegevens moesten toetsen. Het wezenlijke verschil ligt daarom niet in het hebben van vermoedens, maar in de bereidheid deze te herzien wanneer betere informatie beschikbaar komt.
Juist op dat punt krijgt de geschiedenis van de Bijlmerramp een opmerkelijke wending.
Tussen oktober 1992 en het verschijnen van het eindrapport van de Raad voor de Luchtvaart in februari 1994 kwamen steeds meer technische onderzoeksgegevens beschikbaar. De vliegroute werd gereconstrueerd, de oorzaak van de motorseparatie vastgesteld en de mogelijkheden van de bemanning werden onderzocht. Het eindrapport bracht deze bevindingen in een samenhangend en controleerbaar geheel bijeen.
Toch verdwenen verschillende alternatieve reconstructies niet. Zij bleven bestaan, ook wanneer belangrijke onderdelen ervan niet door de onderzoeksgegevens werden ondersteund.
In de periode van 1994 tot 1999 verschoof de aandacht bovendien steeds verder van de technische oorzaak van het ongeval naar de lading, gezondheidsklachten, ontbrekende documenten en de informatievoorziening door de overheid. Bestaande vermoedens werden verbonden met nieuwe vragen. De parlementaire enquête van 1999 bracht vervolgens belangrijke bestuurlijke tekortkomingen aan het licht, maar leverde geen bevestiging op voor verschillende vergaande verdenkingen die in de voorafgaande jaren waren ontstaan.
Daarmee deed zich iets bijzonders voor. Nieuwe feiten en onderzoeksresultaten leidden niet vanzelfsprekend tot het bijstellen van eerdere verklaringen. Ook wanneer oorspronkelijke bronnen aanvullende informatie verschaften of eerdere conclusies bevestigden, bleven bepaalde speculatieve reconstructies in het publieke debat voortbestaan.
Dat betekent overigens niet dat na 1999 helemaal geen nieuwe informatie meer beschikbaar kwam. Wel is het opmerkelijk dat latere documenten en aanvullende onderzoeken voor verschillende centrale verdenkingen geen wezenlijk andere feitelijke grondslag opleverden, terwijl de bestaande twijfel bleef terugkeren.
Het probleem was dus niet dat er in 1992 werd gespeculeerd. Het probleem was dat bepaalde speculaties ook jaren later door een kleine groep journalisten en een politicus nog werden gepresenteerd of herhaald, zonder dat zij voldoende werden aangepast aan de inmiddels beschikbare onderzoeksresultaten.
Dat is een fundamenteel onderscheid. Een hypothese die in oktober 1992 begrijpelijk was, hoefde in februari 1994 niet meer dezelfde bewijskracht te hebben. En een vermoeden dat in 1999 niet werd bevestigd, kon in 2022 niet zonder nadere onderbouwing opnieuw als een vaststaand historisch feit worden gepresenteerd.
Hier komt de rol van journalistiek en politiek nadrukkelijk in beeld. Journalistieke publicaties konden politieke vragen oproepen, terwijl politieke reacties op hun beurt de nieuwswaarde van die publicaties versterkten. Zo ontstond een wisselwerking waarin alternatieve verklaringen steeds opnieuw onder de aandacht kwamen. De herhaling van een vermoeden kon daardoor bijdragen aan de indruk dat er nog altijd een wezenlijk onopgelost probleem bestond.
Daarbij speelde ook het corrigerend vermogen van de media een belangrijke rol. Journalistiek heeft niet alleen de verantwoordelijkheid om vragen te stellen en mogelijke misstanden te onderzoeken, maar ook om eerdere berichtgeving opnieuw te beoordelen wanneer nieuwe feiten daartoe aanleiding geven. Het bestaan van journalistieke zelfkritiek, onder meer tijdens en na de parlementaire enquête, laat zien dat dit besef wel degelijk aanwezig was. Maar die zelfkritiek leidde niet altijd tot een even zichtbare en duurzame correctie van de verhalen die inmiddels breed bekend waren geworden.
Dat is des te opmerkelijker omdat de geschiedenis van de Bijlmerramp zich over tientallen jaren uitstrekt. Er was dus niet alleen sprake van de begrijpelijke onzekerheid van de eerste dagen en maanden. Er kwamen officiële onderzoeksrapporten, parlementaire verhoren, aanvullende onderzoeken en verklaringen van oorspronkelijke betrokkenen beschikbaar. Ook werd gelegenheid geboden tot wederhoor en inhoudelijke uitwisseling. Toch bleven verschillende oude speculatieve reconstructies terugkeren, soms in vrijwel dezelfde vorm als waarin zij kort na de ramp waren ontstaan.
Zo konden speculatieve reconstructies geleidelijk veranderen in vertrouwde maatschappelijke verklaringen. Wat aanvankelijk een hypothese was, werd door herhaling en bevestiging binnen het publieke debat voor sommige mensen een overtuiging. Nieuwe informatie werd vervolgens niet altijd gebruikt om die overtuiging opnieuw te toetsen, maar soms geïnterpreteerd vanuit het verhaal dat zich inmiddels had vastgezet.
Dat verschijnsel hoeft niet te betekenen dat mensen complotdenkers zijn. Wie jarenlang heeft gehoord dat belangrijke informatie mogelijk is achtergehouden, kan oprecht blijven geloven dat de waarheid nog niet volledig boven tafel is gekomen. Zeker wanneer het gaat om een ingrijpende ramp, persoonlijke ervaringen en zorgen over gezondheid, is zo'n overtuiging niet eenvoudig te veranderen.
Het probleem ligt dan niet uitsluitend bij degene die een alternatieve verklaring gelooft. Het ligt ook bij de manier waarop informatie wordt geselecteerd, geïnterpreteerd, verspreid en, wanneer dat nodig blijkt, gecorrigeerd.
Daarom lijkt mij het onderscheid tussen een speculatieve reconstructie en een complottheorie meer dan een kwestie van woordkeuze. Het maakt een nauwkeuriger historische beoordeling mogelijk. Het geeft ruimte om de oorspronkelijke onzekerheid en het wantrouwen serieus te nemen, zonder de latere verklaringen daardoor automatisch als juist te beschouwen. Tegelijk maakt het zichtbaar dat de verantwoordelijkheid om vermoedens aan feiten te toetsen niet ophoudt wanneer een verhaal eenmaal gepubliceerd is. Niettemin kan er ook sprake zijn van speculatieve reconstructie met complotachtige elementen.
Speculatie is niet het probleem. Het niet willen of kunnen bijstellen van speculaties wanneer de feiten daar aanleiding toe geven, is dat wel.
De belangrijkste vraag is uiteindelijk niet waarom mensen in 1992 speculeerden over de toedracht van de Bijlmervliegramp. De vraag is waarom verschillende speculatieve reconstructies, ondanks de beschikbaarheid van steeds meer controleerbare onderzoeksgegevens, zo weinig werden bijgesteld en tientallen jaren konden blijven voortbestaan.
Daarmee verschuift ook de historische beoordeling. Niet het ontstaan van twijfel staat centraal, maar het uitblijven van voldoende correctie toen er steeds meer duidelijkheid kwam.
En dat is wel een belangrijke les van de Bijlmervliegramp: niet dat mensen geen verkeerde vermoedens mogen hebben, maar dat een samenleving moet beschikken over het vermogen om zulke vermoedens opnieuw te toetsen, eerdere conclusies te herzien en aantoonbare fouten zichtbaar te herstellen.