Rob van Gijzel is een Nederlandse politicus die in de jaren negentig een prominente rol speelde in het politieke debat rond de vliegramp met El Al-vlucht 1862 in de Amsterdamse Bijlmermeer. Als Kamerlid (PvdA) profileerde hij zich nadrukkelijk als volksvertegenwoordiger die aandacht vroeg voor de zorgen van bewoners, hulpverleners en andere betrokkenen bij de ramp en de nasleep ervan. In die rol stond hij bekend als gedreven, vasthoudend en sterk gemotiveerd door rechtvaardigheidsgevoel en maatschappelijke betrokkenheid.

Van Gijzel zocht actief de publiciteit en werkte intensief samen met journalisten die kritisch stonden tegenover de officiële lezing van de ramp, onder wie Vincent Dekker, Pierre Heijboer en Joost Oranje. In deze wisselwerking tussen politiek en journalistiek versterkten beide domeinen elkaar: journalisten leverden signalen en verhalen uit de samenleving, terwijl Van Gijzel deze vertaalde naar Kamervragen, moties en publieke optredens. Daardoor kreeg de Bijlmerramp langdurig politieke en maatschappelijke aandacht.

Net als Dekker baseerde Van Gijzel zich daarbij in belangrijke mate op de door de journalisten aangeleverde informatie zoals ooggetuigenverklaringen, meldingen van betrokkenen, afzonderlijke documenten en informatie die niet altijd was geverifieerd binnen het formele kader van het luchtvaartonderzoek. Volgens de officiële ongevallenonderzoekers en later ook volgens de conclusies van de parlementaire onderzoeken strookten delen van deze informatie niet met de technisch-feitelijke bevindingen uit radar-, vluchtdata- en wrakanalyses en de ICAO  ladingsdocumenten.

Ondanks de Parlementaire Enquêtecommissie Bijlmerramp (1999), waarin verschillende complotachtige aannames expliciet werden onderzocht en weerlegd, bleef Van Gijzel vasthouden aan een kritisch narratief over mogelijke achtergehouden informatie en tekortschietende transparantie. Net als bij Dekker is waarneembaar dat dit narratief in de loop der jaren nauwelijks werd aangepast aan de conclusies van het formele onderzoek.

Ook in het KRO-NCRV-project Rampvlucht bleef Van Gijzel uitgaan van veronderstellingen en interpretaties die volgens officiële onderzoeksrapporten en parlementaire bevindingen niet bewezen zijn en waar weldegelijke goede contra-indicaties voor bestaan. Daarmee bleef hij consequent in zijn opvattingen, maar ook onderwerp van blijvende discussie over de verhouding tussen maatschappelijke betrokkenheid, politieke controle en feitelijke vaststelling.

Als mens en politicus wordt Van Gijzel door voorstanders gezien als iemand die zich onvermoeibaar inzette voor erkenning van onzekerheid en wantrouwen onder burgers, terwijl critici wijzen op het risico dat het vasthouden aan onbewezen aannames het onderscheid tussen vastgestelde feiten en veronderstellingen niet alleen heeft vervaagd, maar ook sterk heeft vertroebeld.

Het is mijns inziens zeer bijzonder anno 2025 dat de heer Van Gijzel in de documentaire Rampvlucht (2022) opnieuw ontkrachte theorieën aanhaalde om zijn vasthoudendheid in de jaren negentig van de vorige eeuw te duiden. Elk bewijs voor een verband tussen het vliegtuigongeval, de lading en gezondheidsschade (behalve individuele gevallen en PTSS) ontbreekt, en de contra-indicaties vertellen een ander verhaal. Daarmee gedraagt Van Gijzel zich 'feiten resistent' en refereert hij aan een narratief dat in de jaren negentig, voor de parlementaire enquête in 1999, is ontstaan.