Het project Rampvlucht was een grootschalig mediaproject van KRO-NCRV dat in 2022 werd gelanceerd, precies dertig jaar na de Bijlmerramp van 4 oktober 1992. Het project bestond uit verschillende onderdelen, waaronder een vijfdelige dramaserie, een documentaire, een podcast en een digitale reconstructie. De dramaserie werd uitgezonden van 29 september tot en met 4 oktober 2022, met de laatste aflevering exact op de 30e herdenkingsdag van de ramp.
De dramaserie was een op werkelijkheid gebaseerde thriller over de ramp zelf én de vele vragen en de vermeende mysterieuze gebeurtenissen die Nederland daarna in hun greep hielden. Het verhaal volgt een jonge dierenarts uit de Bijlmermeer (Asha Willems, een fictief personage) en twee journalisten van concurrerende kranten (Pierre Heijboer en Vincent Dekker, gebaseerd op echte personen) die op zoek gaan naar antwoorden over de ramp. De serie werd geproduceerd door productiehuis Big Blue en geschreven door creator Michael Leendertse.
De serie werd gepresenteerd als een combinatie van feit en fictie, wat aan het begin van elke aflevering werd vermeld met een disclaimer. De makers gaven aan dat ze feiten en fictie vrijelijk hadden vermengd. De serie richtte zich vooral op de nasleep van de ramp en de vele vragen die volgens de makers bleven bestaan over de lading van het vliegtuig, de gezondheidsklachten van bewoners en hulpverleners, en de vermeende doofpotaffaire.
Nina Polak, de enige die in het Nederlandse medialandschap haar huiswerk grondig gedaan heeft, beschrijft in De Correspondent hoe Rampvlucht als dramaserie zeer overtuigend en meeslepend is, maar juist daardoor een probleem oproept: voor de kijker wordt onvoldoende duidelijk waar de historische feiten ophouden en de dramatisering begint. De serie gebruikt verschillende bekende theorieën uit de nasleep van de Bijlmerramp — over de lading, witte pakken, uranium en mogelijke geheimhouding — als belangrijke bouwstenen van het verhaal, terwijl een deel daarvan nooit is bewezen of later sterk is gerelativeerd.
Polak wijst erop dat de parlementaire enquête van 1999 veel van deze kwesties uitvoerig heeft onderzocht en tegelijkertijd stevige kritiek had op de informatievoorziening van de overheid. Volgens haar is de werkelijkheid daardoor ingewikkelder dan het beeld van vasthoudende journalisten tegenover een overheid die de waarheid zou willen verbergen.
De kracht van haar artikel zit vooral in die waarschuwing: een goed verteld dramatisch verhaal kan uiteindelijk sterker in het geheugen blijven hangen dan de feitelijke reconstructie. Daardoor kunnen oude vermoedens en onbewezen theorieën opnieuw geloofwaardig worden, juist omdat ze in een emotioneel overtuigend verhaal zijn opgenomen.
Begin 2026 vroeg ik de Ombudsman voor de omroep om een reflectie (geen onderzoek), vanwege het maatschappelijke effect van de serie. Het verzoek kon niet in behandeling worden genomen omdat de termijn van 6 maanden na uitzending (oktober 2022) verstreken was. Het feit dat de serie in augustus 2025 in Belgie was uitgezonden veranderde daar niets aan.
Het eindrapport van de Raad voor de Luchtvaart (1994), het rapport van de parlementaire enquête (1999) en de hertoetsing en reconstructie met primaire brongegevens zoals op deze website roepen de vraag op of bij de totstandkoming en journalistieke omlijsting van Rampvlucht op essentiële punten is voldaan aan de gebruikelijke normen van verificatie, feitelijke onderbouwing, wederhoor en correctie. Die vraag verdient naar mijn oordeel een onafhankelijke journalistiek-ethische beoordeling.
Op de dramaserie Rampvlucht van de KRO-NCRV wil ik hier zelf niet diep ingaan. Het mengen van waarheid en fictie is tegenwoordig een populair genre dat veel mensen aanspreekt. Het project Rampvlucht werd gesubsidieerd met meer dan € 950 000 overheidsgeld en bleek een succes.
Zelf heb ik in oktober 2022 de dramaserie met gekromde tenen bekeken. Voor mij was vanzelfsprekend helder wat feit en wat fictie was. Zeker met betrekking tot alle aspecten op mijn vakgebied, hangar 8, het verarmde uranium en de parlementaire enquête van 1999. Mijn ex-collega's en de vele deskundigen in Nederland waaronder experts van onderzoeksinstituten, hulpverleners, medici en onderzoekers van het AMC, wisten direct wat de consequenties van zo'n dramaserie konden zijn: voor een groot deel van de kijkers ontstaan er 'nieuwe waarheden'. Het was en is voor de doorsnee kijker nagenoeg onmogelijk te beoordelen wat werkelijkheid en wat fictie is. Zelfs NRC meldde in een recensie dat men dat niet kon beoordelen. Toen ik de schrijver van deze recensie aanbood om op dat vlak helderheid te geven, werd er niet gereageerd. Opmerkelijk dat er bij een kwaliteitskrant als NRC geen behoefte bestaat te schrijven over de werkelijke gebeurtenissen en feiten en fictie te scheiden, terwijl er een enorme behoefte aan goede informatie lijkt te bestaan. Ontstaat er zo nieuwe vorm van geschiedbeleving en zelfs geschiedschrijving?
Er is nog een aantal neveneffecten van zo'n dramaserie die interessant zijn om nader te bestuderen:
- op grond van een bepaalde voorstelling van zaken in zowel de dramaserie als de documentaire melden zich nieuwe getuigen en deskundigen, die de onderzoeksjournalisten kunnen helpen met 'nieuw materiaal' en 'nieuwe analyses'. De journalisten kunnen dan hun onderzoek naar de vele vermeende mysteries of onbegrepen zaken blijven voortzetten. Het is vreemd dat − op het moment van schrijven van deze website, midden 2024 − gedurende 30 jaar nog nooit een mysterie door de auteur van het boek Going Down Going Down is opgelost, en dat er daarnaast geen enkele verantwoording over de na oktober 2022 verkregen informatie en analyses wordt afgelegd. Gezien het maatschappelijke belang van de antwoorden op de vermeende vragen en het bieden van een mogelijkheid om het ongeval beter te kunnen verwerken, lijkt dat een magere score. Zou men niet beter volledige openheid van zaken kunnen geven?
- is er sprake van een 'level playing field'? Een neveneffect, namelijk 'nieuwe getuigen met nieuwe informatie', melden zich wel bij de onderzoeksjournalisten, maar niet bij de overheid. Die overheid krijgt om die reden geen kans een onderzoek uit te voeren of wederhoor te geven. Kunnen alleen onderzoeksjournalisten aan waarheidsvinding doen zonder hun informatie, bronnen en analyses vrij te geven?
- een evenwichtige voorstelling van zaken had de kijker enig inzicht kunnen verschaffen waarom een ICAO Annex 13-onderzoek werkt volgens een streng protocol en waarom sommige informatie zorgvuldig opgeslagen blijft. Is het niet opmerkelijk om dat pas achteraf te willen doen en die verantwoordelijkheid naar het ACOI door te schuiven?
- hoe moet ik de code van Bordeaux (zie hieronder) interpreteren met betrekking tot de ethische regels voor journalisten? Realiseert men zich dat men ethisch gezien een zekere verplichting heeft om informatie die schadelijk is voor mensen op royale wijze recht te zetten?
Wie zijn positie niet corrigeert nadat de feiten zijn getoetst, kan volgens mij moeilijk blijven volhouden dat waarheidsvinding zijn primaire drijfveer was / is. Wanneer weerlegde argumenten desondanks blijven circuleren verschuift de rol van waarheidsvinding naar verhaalbehoud. Toegang tot corrigerende informatie schept de verplichting tot herziening. Het uitblijven daarvan is geen journalistieke of politieke noodzaak, maar een keuze. En daarmee handelt men (en hier bedoel ik specifiek de schrijver van Going Down Going Down en de KRO-NCRV als omroep) buiten zijn eigen norm. En buiten de ethische codes voor de journalistiek en de omroep. Slachtoffers van een ramp kunnen daaronder onnodig verward raken en blijven, zelfs nog verwarder raken dan ze al waren en/of daaronder lijden. Wie niet reageert en corrigeert lijkt geen waarheid te verdedigen, maar een positie. Dat interpreteer ik als een begrijpelijke maar zeer te betreuren vorm van zelfbescherming tegenover de slachtoffers en nabestaanden van de vliegramp. Daarover kun je ternauwernood een goede discussie met elkaar over voeren. In een mediaproduct waarin twijfel de motor is, wordt correctie helaas dus een bedreiging. En vandaar ook deze website.
brief aan KRO-NCRV
verstuurd
Het antwoord van de KRO-NCRV
Een ontvangstbevestiging noch een reactie van de KRO-NCRV is tot nu toe ontvangen. Wel ontving ik een verzoek van de heer Dekker of hij een copie van de brief aan de KRO-NCRV mocht ontvangen. Aangezien mijn brief een onderwerp betrof tussen de KRO-NCRV en mijzelf, heb ik de brief destijds niet verstrekt, maar na een aantal maanden wel op deze website geplaatst.
De beweringen van de KRO-NCRV dat er een toename is geweest van misgeboorten en kankergevallen na de ramp is geweest en dat mensen onverklaarbaar ziek werden wordt niet gesteund door goed onderbouwd bewijs en de vele uitgevoerde medische onderzoeken. Zie ook Ziekte | ongevallenonderzoek EL AL 1862. Het is voor mij een vraag of het project Rampvlucht dan ook in strijd is met de ethische regels voor de journalistiek en de omroep door een nogal eenzijdig beeld te schetsen. Hieronder de zaak nog even op een rijtje. De arts Nizaar Makdoembaks nam in zijn eigen huisartsenpraktijk een stijging in klachtenpatronen waar na de ramp (en vermeldde ook een toename van miskramen, kankergevallen), echter een epidemiologisch causaal verband met de ramp werd niet gesuggereerd noch aangetoond. Makdoembaks was voorstander van een grootschalig medisch onderzoek.
In 1993 waren er 4000 (begrijpelijk) zeer ongeruste mensen…geen 4000 zieke mensen. Die groep werd steeds groter...tot aan 1999
(H.J. van de Belt).
In de eerste fase, 1992–1993, ging het vooral om acute opvang en behandeling na de ramp: lichamelijk letsel, psychische schok, rouw en posttraumatische klachten. De parlementaire enquête vermeldt dat in 1992 en 1993 een groot aantal mensen is behandeld, maar geeft voor deze eerste behandelingsfase geen eenvoudig totaalgetal. Wel stelde men later vast dat de psychische gevolgen, waaronder PTSS, omvangrijker waren dan aanvankelijk gedacht.
In de tweede fase, ongeveer 1994–1997, veranderde het klachtenbeeld. Naast psychische klachten kwamen steeds vaker lichamelijke klachten en zorgen over de lading, uranium en mogelijke blootstelling naar voren. Bij het AMC-onderzoek bleek later dat 44,7% van de diagnoses bij mensen die hun klachten aan de ramp koppelden, in de periode 1995–1997 was gesteld. Dat ondergraaft de gedachte dat er pas ineens in 1997 één duidelijk omslagpunt was.
De grote registratiefase kwam in 1998. Het AMC stelde een telefonisch meldpunt open. Daar meldden zich 903 mensen; 846 van hen meldden lichamelijke gezondheidsklachten. Het AMC registreerde bij die 846 personen in totaal 3.463 klachten, gemiddeld ongeveer vier per persoon. Er bleek geen eenduidig klachtenpatroon dat op één specifiek syndroom wees.
Parallel daaraan interviewde het AMC 51 van de 55 huisartsen in Amsterdam-Zuidoost en Diemen-Zuid. Zij hadden samen ongeveer 92.000 patiënten. De artsen wezen circa 300 patiënten aan bij wie zij zelf een relatie met de Bijlmerramp aannemelijk vonden; daarnaast waren er ongeveer 400 patiënten die zelf hun klachten met de ramp in verband brachten. Die groepen kunnen deels overlappen, dus je mag 300 en 400 niet simpelweg optellen tot 700 unieke patiënten.
In de verificatiefase 1998–1999 werden de meldingen aan de behandelend arts voorgelegd. Van 544 mensen werden medische dossiers nader onderzocht. De huisartsen beoordeelden een verband met de ramp in ongeveer 6% als waarschijnlijk, in circa 40% als onwaarschijnlijk en in iets meer dan de helft als mogelijk.
Daarnaast ontstond in het najaar van 1998 bijzondere aandacht voor auto-immuunziekten. Aanvankelijk waren er enkele individuele gevallen; uiteindelijk werden in het AMC-onderzoek 22 mogelijke of gemelde auto-immuunziekten nader beoordeeld, waarvan 11 als bewezen werden aangemerkt. De onderzoekers konden daaruit echter geen epidemiologisch causaal verband met de ramp afleiden.
Voor PTSS was het beeld duidelijker. In 1998 schatte men dat er nog ongeveer 100 mensen rondliepen met onverwerkte PTSS en aanverwante klachten die met de ramp samenhingen. De enquêtecommissie concludeerde expliciet dat er een directe relatie bestond tussen psychische klachten, waaronder PTSS, en de ramp.
De beste korte samenvatting is daarom:
Fase - Wat gebeurde er? - Ordegrootte
1992–1993: acute opvang, letsel, rouw, psychische klachten groot aantal, geen eenvoudig totaal
31 augustus 1994 onderzoek door GG & GD: uit een inventarisatie bij circa 50 huisartsen in Amsterdam Zuid-Oost gaven de huisartsen aan geen klachtenpatronen te zien dat een verband legde met de vliegtuigramp (behalve dus de bovengenoemde klachten). De arts Makdoembaks constateerde wel veranderingen, maar vond dat die veranderingen onderzocht zouden moeten worden. De relatie met de ramp was niet bewezen.
1994–1997: toenemende lichamelijke klachten en zorgen over blootstelling. geen eenduidig totaal
1998: AMC telefonisch meldpunt 903 melders, 846 met lichamelijke klachten
1998: huisartseninventarisatie ca. 300 door huisarts gerelateerd, ca. 400 door patiënt zelf
1998–1999: dossierverificatie 544 dossiers
1998: resterende PTSS ca. 100 personen
1998–1999: auto-immuunonderzoek 22 beoordeeld, 11 bewezen
Het belangrijkste punt is dus dat de gezondheidsproblematiek niet in één plotselinge golf ontstond. Ze ontwikkelde zich van acute traumatische en psychische klachten naar een bredere maatschappelijke gezondheidszorgvraag, waarbij in de tweede helft van de jaren negentig steeds meer lichamelijke klachten aan de ramp werden toegeschreven. De grote aantallen uit 1998 zijn bovendien meldingen en onderzoeksdeelnemers, niet automatisch aantallen mensen bij wie een ziekte door de ramp medisch causaal is bewezen.
Onder: er waren geldige ethische redenen van artsen waarom zij vanaf het begin geen voorstander waren van een groot medisch onderzoek: het ligt dus veel genuanceerder dat (alleen) de overheid zou wegkijken. De terughoudendheid was gebaseerd op de principes van protocollaire geneeskunde en rationele diagnostiek, waar toenmalig minister Els Borst overigens zelf deeltijdhoogleraar in was geweest. Er waren geen indicaties of klachten (uitgezonderd die van de arts Makdoembaks) die een groot gezondheidsonderzoek rechtvaardigden. Wat de KRO-NCRV schrijft lijkt gebaseerd op een "Dekkeriaans" beinvloed journalistiek verhaal, dat opnieuw verwarring zaait en ongenuanceerd en zelfs onjuist is.
Onverklaarbaar ziek na de Bijlmervliegramp: gevaarlijke lading of psychische klachten?
De Bijlmervliegramp in 1992 kent een jarenlange, tragische nasleep waarbij burgers niet werden gehoord. KRO-NCRV werpt met Rampvlucht in verschillende vertelvormen een nieuwe blik op deze controversiële vliegramp. Hoe is het bijvoorbeeld mogelijk dat bewoners en hulpverleners ziek werden na de Bijlmervliegramp? Waarom zijn er vandaag de dag nog steeds vragen over de lading van het vliegtuig?
Onverklaarbaar ziek na Bijlmervliegramp
Honderden mensen worden onverklaarbaar ziek na de vliegramp in de Bijlmer. Veel mensen krijgen last van fysieke klachten zoals pijn, vermoeidheid, chronische luchtweginfecties, maag- en darmklachten en impotentie. Daarnaast stijgt het aantal miskramen en mensen met kanker sinds de bewuste dag van de ramp. In onderzoeken die volgden na de Bijlmervliegramp, werd vrijwel alleen naar psychische klachten gevraagd, klachten als slaapstoornissen, angst en depressieve gevoelens. Hierover heerste onder de betrokkenen veel ontevredenheid; zij voelden zich niet gehoord.
In de omschrijving op de website van KRO-NCRV wordt mijn bijdrage aan de documentaire niet vermeld als die van een primaire bron uit het oorspronkelijke ongevalsonderzoek. Dat is opmerkelijk, omdat ik binnen het gezelschap van geïnterviewden juist uit eigen (directe) ervaring over verschillende cruciale onderdelen van het onderzoek kon verklaren.
Vanaf de ochtend van maandag 5 oktober 1992 was ik betrokken bij het onderzoek naar de verloren motoren in het Gooimeer. Vanaf diezelfde avond werkte ik in Hangar 8 aan het wrakonderzoek. Op 7 oktober had ik zowel de Digital Flight Data Recorder als balansgewichten van verarmd uranium in handen. Ik onderzocht daarnaast aspecten van de motoren, systemen, simulaties en luchtverkeersleiding, werkte binnen het internationale ICAO Annex 13-onderzoeksteam en droeg bij aan de totstandkoming van het uiteindelijke onderzoeksrapport.
Daardoor maakte ik niet alleen het technische onderzoek van nabij mee, maar ook de ontwikkeling van de publieke berichtgeving eromheen. Ik zag hoe in de eerste weken berichten verschenen die niet op de toen beschikbare onderzoeksgegevens waren gebaseerd, maar soms op onbevestigde waarnemingen, geruchten of onvolledige informatie. Ik zag de ontwikkeling van emoties en de argwaan van journalisten die verslag over de ramp en het onderzoek deden: met name die van Vincent Dekker. Later heb ik over mijn werkzaamheden en bevindingen ook verantwoording afgelegd in het kader van de parlementaire enquête.
In de aftiteling van de documentaire werd mijn naam niet vermeld. Evenmin werd voor het publiek zichtbaar gemaakt welke rol ik in 1992 in het oorspronkelijke onderzoek had gespeeld en welke luchtvaarttechnische onderzoekservaring ik in de daaropvolgende decennia had opgebouwd. Daardoor kon voor de kijker gemakkelijk de indruk ontstaan dat mijn bijdrage slechts één van de vele reacties of vormen van wederhoor was, terwijl ik op verschillende behandelde onderwerpen juist als directe bron uit het oorspronkelijke onderzoek kon spreken.
Ik had bovendien zelf contact opgenomen met KRO-NCRV, omdat ik op basis van de aangekondigde invalshoek vreesde dat oude onzekerheden en inmiddels betwiste en weerlegde voorstellingen opnieuw als actuele mysteries zouden worden gepresenteerd. Mijn bedoeling was niet om kritische vragen te verhinderen, maar om ervoor te zorgen dat de makers ook konden beschikken over informatie uit het oorspronkelijke technische onderzoek. Ik beschouw het als een gemiste kans dat de vele onzekerheden die werden gepresenteerd niet met goed journalistiek onderzoek konden worden weggenomen: een gemiste kans. Daardoor kwam ik later tot de conclusie dat er een 'narratieve blokkade' bestond. Er bestaat vrijwel geen podium / mogelijkheid om onjuiste voorstellingen direct te ontkrachten en de zorgen van de mensen weg te nemen. Het media verhaal is dominanter geworden dan de feiten rechtvaardigen. De enige resterende mogelijkheid was het ontwikkelen van een website en een kwalitatief hoogwaardig interview met het Historisch Nieuwsblad.