De informatieomgeving rond de Bijlmervliegramp
In de jaren na de Bijlmervliegramp ontstond rond enkele journalisten en PvdA-Kamerlid Rob van Gijzel een opvallende informatieomgeving. Vincent Dekker van Trouw, Pierre Heijboer van de Volkskrant en, op onderdelen, Joost Oranje van NRC Handelsblad onderzochten ieder vanuit hun eigen positie en eigen verantwoordelijkheid onderwerpen als de vliegroute, de lading, het verarmd uranium, de mannen in witte pakken, ontbrekende documenten en het handelen van overheidsinstanties. Van Gijzel gebruikte journalistieke bevindingen en informatie van bewoners in de Bijlmermeer zelf vervolgens om politieke vragen te stellen, ministers ter verantwoording te roepen en nader onderzoek af te dwingen. Uit het eigen dossier van Van Gijzel blijkt bovendien dat er daadwerkelijk contacten met deze journalisten bestonden. (De bevindingen van journalist Dekker in de beginfase van het onderzoek bleken in een aantal gevallen niet in overeenstemming met de feiten uit het veiligheidsonderzoek te zijn).
Dat is op zichzelf volkomen legitiem. Journalisten behoren misstanden te onderzoeken en Kamerleden behoren informatie uit de samenleving en de media te gebruiken om de regering of politiek-bestuurlijke partijen te controleren. (opmerking: de Raad voor de Luchtvaart was geen politiek-bestuurlijk orgaan, wel door de overheid ingesteld, maar bedoeld om te functioneren zonder politieke beinvloeding). Het bijzondere aan de Bijlmervliegramp is echter dat dit proces gedurende jaren een zelfversterkend karakter kreeg.
Van journalistieke publicatie naar politieke interventie
Het patroon was telkens ongeveer hetzelfde. En het ontwikkelde zich vrij snel na het ongeval.
Een journalist had twijfels, stelde vragen, vond een document, een getuige, een inconsistentie of een nog onbeantwoorde vraag. Daarover verschenen in de loop der tijd publicaties. Midden september 1993 werd dat het duidelijkst gevoeld. Trouw publiceerde een artikel over een 'vliegende chemiefabriek'. Vervolgens stelde Van Gijzel of een Kamercommissie vragen aan de regering. De ministeries moesten antwoorden, waarna onvolledigheden, onnauwkeurigheden of nieuwe documenten opnieuw aanleiding konden worden voor journalistieke publicaties. Het goede was dat ook bewonersvragen uit de Bijlmermeer aandacht kregen, want in de Bijlmermeer waren toch veel bewonersvragen opgekomen.
Daardoor kreeg een journalistieke bevinding door de politieke reactie onmiddellijk extra gewicht. Een krantenbericht was niet langer alleen een krantenbericht: de Tweede Kamer stelde er vragen over.
En vervolgens werkte hetzelfde mechanisme in omgekeerde richting. Dat de Kamer vragen stelde, kon door de media worden gepresenteerd als aanwijzing dat het oorspronkelijke journalistieke vermoeden kennelijk serieus genomen moest worden.
Zo ontstond een kring:
vragen van bewoners - bron of gerucht → journalistiek onderzoek → publicatie → Kamervragen → bestuurlijk antwoord → nieuwe onduidelijkheid → nieuwe publicatie → verdere politieke interventie.
De parlementaire enquête zelf documenteert verschillende voorbeelden van deze wisselwerking. Na publicaties over mannen in witte pakken werden Kamervragen gesteld en werd de Rijksrecherche ingeschakeld. Heijboer leverde vervolgens zestien door hem verzamelde getuigenverklaringen aan de Rijksrecherche; ook Van Gijzel werd in dat onderzoek gehoord. De enquêtecommissie concludeerde uiteindelijk dat veel personen in witte kleding hulpverleners waren en dat geen bewijs was gevonden voor de veel verdergaande voorstelling van Israëlische teams in beschermende pakken.
Verarmd uranium laat hetzelfde mechanisme zien
Ook rond het verarmd uranium ontstond een langdurige wisselwerking tussen berichtgeving en politiek. De enquêtecommissie inventariseerde later hoe vaak hierover in de Tweede Kamer vragen waren gesteld. Van Gijzel stelde al in september 1993 vragen over gevaarlijke stoffen aan minister Maij-Weggen. Latere antwoorden van verschillende bewindspersonen bleken niet steeds bevredigend en nieuwe informatie kwam daar in de loop van de tijd bij, waardoor de verdenking dat informatie werd achtergehouden juist verder kon groeien.
Joost Oranje schreef tijdens de enquête bijvoorbeeld dat nieuwe gegevens over uranium het eerdere vermoeden van Van Gijzel leken te bevestigen dat de RLD al snel na de ramp van het uranium op de hoogte was geweest. (Dat klopt: ministerie van VROM, RLD, NTSB, FAA schatten het gevaar ervan in de eerste week als verwaarloosbaar in op basis van de dan toe bekende ongevallen en gegevens). Daarmee werd een journalistieke ´vondst‘ rechtstreeks verbonden met het jarenlange politieke optreden van het Kamerlid.
Het probleem is dat twee verschillende vragen hierdoor gemakkelijk in elkaar konden schuiven:
Was de informatievoorziening van de overheid goed?
en:
Was het uranium een belangrijke oorzaak van de gezondheidsproblemen na de ramp?
Het eerste kon op onderdelen terecht aanleiding geven tot kritiek. Daaruit volgde echter niet automatisch het tweede.
Dat onderscheid verdween in de publieke discussie geregeld naar de achtergrond.
De informatiekring creëerde gezag
Dit proces had uiteindelijk een bijzonder psychologisch en maatschappelijk effect.
Wanneer één journalist iets schrijft, kan het publiek dat als een journalistieke hypothese beschouwen. Wanneer vervolgens een tweede journalist erover publiceert, een Kamerlid vragen stelt, een minister moet antwoorden en uiteindelijk zelfs een parlementaire enquête het onderwerp behandelt, verandert de perceptie. Als er nog een derde journalist of krant bij komt, en alle kranten schrijven over hetzelfde onderwerp gaat de massale herhaling van het nieuws uiteindelijk tellen.
Dan ontstaat gemakkelijk de gedachte:
“Er moet wel iets aan de hand zijn, anders zouden zoveel journalisten en politici zich er niet mee bezighouden.”
Maar dat is geen bewijsredenering.
Het aantal mensen dat een hypothese bespreekt, zegt niets over de juistheid ervan.
Daarmee ontstond rond de Bijlmerramp het risico van circulaire legitimatie. De journalist kon wijzen op politieke aandacht als bewijs dat zijn onderzoek relevant was. De politicus kon naar journalistieke publicaties verwijzen als reden om verder te vragen. Een volgende journalist kon vervolgens melden dat het onderwerp inmiddels tot politieke beroering had geleid.
Iedere stap was afzonderlijk verklaarbaar, maar gezamenlijk konden zij een verdenking veel groter maken dan het oorspronkelijke bewijs rechtvaardigde.
Onzekerheid werd steeds opnieuw nieuws
Daar kwam een tweede mechanisme bij.
Bij een ingewikkeld dossier als de Bijlmervliegramp konden niet alle vragen onmiddellijk worden beantwoord. Documenten lagen verspreid over verschillende landen en organisaties, getuigen herinnerden zich gebeurtenissen verschillend en verschillende onderzoeken hadden verschillende doelstellingen.
In zo'n situatie betekent:
“wij weten dit nog niet”
niet hetzelfde als:
“iemand houdt dit geheim.”
Toch kon juist die overgang gemakkelijk plaatsvinden.
Ontbrekende vrachtpapieren werden dan niet alleen ontbrekende documenten, maar mogelijk aanwijzingen voor een geheime lading. Een niet gevonden cockpit voice recorder werd onderdeel van een breder mysterie. Getuigenverklaringen over witte pakken konden worden verbonden met Israëlische geheime diensten. Verschillen tussen vroege routekaarten en latere reconstructies konden worden geïnterpreteerd als aanwijzingen dat de route was gemanipuleerd.
Van Gijzel combineerde verschillende van dergelijke kwesties in zijn politieke zoektocht naar wat er volgens hem achter de ramp en de nasleep daarvan schuilging. Uw eigen archiefonderzoek naar zijn stukken laat zien hoe sterk journalistieke informatie daarbij een rol speelde.
Joost Oranje kreeg een bijzondere positie
Oranje neemt binnen deze informatiekring een enigszins andere positie in dan Dekker en Heijboer.
Hij was niet noodzakelijk de oorsprong van ieder vermoeden, maar zijn NRC-berichtgeving gaf verschillende onderwerpen institutioneel gewicht. Tijdens de enquête beschikte hij bovendien over opmerkelijk actuele informatie over hetgeen achter de schermen bij de commissie speelde.
Het artikel Onverwachte post voor de enquêtecommissie is daarvan een treffend voorbeeld. NRC en een commissielid beschikten vrijwel gelijktijdig over belastende informatie over het onderhoud bij El Al, waarna Oranje beschreef hoe de commissie daarop reageerde en zelfs vooruitliep op de mogelijkheid dat de onderhoudskwestie een eigen dynamiek zou krijgen.
Later schreef Oranje over “nieuwe munitie” voor het Kamerdebat. In dat artikel werd Van Gijzel expliciet opgevoerd als het best ingevoerde Kamerlid in het Bijlmerdossier en meldde Oranje dat ook Van Gijzel nieuwe onjuistheden in de antwoorden van het kabinet had gevonden.
De beeldspraak is veelzeggend: nieuwe informatie werd munitie in een politiek gevecht.
En vervolgens kwam de parlementaire enquête
De informatiekring had uiteindelijk grote gevolgen.
Onderwerpen die jarenlang in kranten en Kamerdebatten circuleerden, werden in 1999 onder ede onderzocht. Daarmee kregen vermoedens die aanvankelijk in journalistieke publicaties waren ontstaan het hoogste politieke onderzoeksniveau dat Nederland kent.
Dat was democratisch waardevol. Veel tekortkomingen in communicatie, informatievoorziening en bestuurlijke afhandeling werden daardoor zichtbaar. Maar het had ook een keerzijde. Niet iedere verdenking bleek na onderzoek juist.
De enquêtecommissie vond bijvoorbeeld bij onderzoek naar de vermeende bijzondere positie van El Al geen bewijs dat de maatschappij ten aanzien van goederenstromen een uitzonderingspositie had die de veel verdergaande vermoedens rechtvaardigde. Twee eerder gemelde wapentransporten bleken bovendien geen relatie met vlucht 1862 te hebben.
Juist daar ontstond het probleem van de blijvende verdenking.
Een spectaculaire onthulling kan in één krantenkop worden geïntroduceerd. De latere weerlegging vereist vaak tientallen pagina's technisch of bestuurlijk onderzoek. Die correctie krijgt zelden dezelfde maatschappelijke impact als de oorspronkelijke verdenking.
Daardoor blijft bij een deel van het publiek hangen:
“Er was toch iets met geheime wapens?”
“Er waren toch mannen in witte pakken?”
“Er was toch iets mis met de route?”
“Er was toch zenuwgas aan boord?”
"Er werd toch uranium of nucleair materiaal vervoerd?"
Zelfs wanneer het veel beperktere feit achter zo'n verhaal later duidelijk wordt.
De politieke aandacht bevestigde achteraf de journalistiek
Na afloop ontstond nog een laatste cirkel.
Journalisten konden zeggen dat hun werk noodzakelijk was geweest omdat het uiteindelijk tot een parlementaire enquête had geleid.
Van Gijzel kon zeggen dat zijn jarenlange vasthoudendheid gerechtvaardigd was omdat een parlementaire enquête noodzakelijk was gebleken.
Maar het bestaan van die enquête bewijst vanzelfsprekend niet dat alle hypothesen die eraan voorafgingen juist waren.
De enquête werd gehouden omdat er een opeenstapeling bestond van reële bestuurlijke fouten, onduidelijke informatie, maatschappelijke zorgen én onbewezen verhalen.
Dat onderscheid is essentieel.
NRC beschreef na afloop zelfs de grote politieke teleurstelling: ondanks alle jaren van onderzoek en de hoge verwachtingen bleven de grote politieke consequenties uit. Van Gijzel, die zich sterk met de Bijlmerbewoners had verbonden, kon die verwachtingen uiteindelijk niet waarmaken.
Een informatiekring zonder centraal complot
Daarom zou ik dit historische verschijnsel nadrukkelijk niet beschrijven als een vooropgezette strategie van Dekker, Heijboer, Oranje en Van Gijzel.
Daar is geen bewijs voor nodig en het verklaart het verschijnsel bovendien onvoldoende.
Interessanter is dat sprake lijkt te zijn geweest van een netwerk waarin mensen met vergelijkbare zorgen, achterdocht en onderzoeksinteresses elkaar van informatie voorzagen en elkaars handelen versterkten.
Zij hoefden daarvoor geen gezamenlijk plan te hebben. Het systeem kon zichzelf aandrijven.
Een journalist ´onthulde´ iets bijzonders of een opmerkelijk feit en gaf daar betekenis aan
Een Kamerlid had informatie nodig om zijn controlerende taak uit te oefenen.
Bewoners verlangden antwoorden.
Ministeries moesten reageren.
Nieuwe antwoorden leverden nieuwe inconsistenties op.
De media rapporteerden daar weer over.
Zo kon een informatiekring ontstaan waarin vragen steeds nieuwe vragen produceerden, terwijl antwoorden veel minder krachtig in de kring werden teruggevoerd.
En dat lijkt een belangrijkste historische observatie.
Het probleem was niet dat Dekker, Heijboer, Oranje en Van Gijzel vragen stelden. Veel van die vragen moesten worden gesteld.
Het probleem ontstond wanneer een hypothese na onderzoek niet werd bevestigd, maar niet werkelijk uit het informatiecircuit verdween.
Dan wordt journalistieke waakzaamheid iets anders: een systeem waarin iedere onduidelijkheid de bestaande verdenking bevestigt en iedere weerlegging aanleiding geeft voor de volgende vraag.
Zo kan een ramp die technisch onderzocht en bestuurlijk uitvoerig geëvalueerd is, maatschappelijk toch een never-ending story worden.
De informatiekring produceerde daardoor niet alleen politieke controle. Zij produceerde ook iets veel moeilijker terug te draaien: een duurzaam cultureel geheugen van verdenking, waarin het feit dát gedurende jaren zoveel werd onderzocht voor sommige mensen uiteindelijk belangrijker werd dan wat die onderzoeken feitelijk hadden opgeleverd.
Rolf Pans, voormalig Secretaris-Generaal bij het ministerie van Verkeer en Waterstaat beschreef in zijn boek "Haags spel" dat er steeds hetzelfde 'spelletje' werd gespeeld: via contacten met media kon Van Gijzel een onderwerp agenderen. Nadat een publicatie de krant of de TV had gehaald, konden er vrijwel direct vragen op het hoogste politieke niveau over gesteld worden.
Ik ben me er bewust van dat men ook zou kunnen zeggen dat de antwoorden telkens niet voldoende bevredigend waren, waardoor het proces destijds zo lang in beslag nam. Maar in 2022 bij de dertig jarige herdenking kon dat mijns inziens niet meer gezegd worden. Het opnieuw beginnen over route afwijkingen en giftige en gevaarlijke stoffen die vervoerd zouden zijn en tot miskramen en kanker geleid zouden hebben riepen mijns inziens meer schade op dan het bestaande bewijs en vele onderzoeken rechtvaardigden. De informatiekring uit de jaren 1992-1999 was ruimschoots vertegenwoordigd bij de documentaire Rampvlucht van de KRO-NCRV en de aftermath. In ieder geval: wel spannend, maar toch ook grotendeels gekleurd met een opleving van de complottheorieen.