Twee onderzoekslijnen in de zoektocht naar de lading.
Na de Bijlmervliegramp van 4 oktober 1992 groeide de vraag wat het toestel precies had vervoerd uit tot een langdurig maatschappelijk, journalistiek en politiek dossier. Binnen die zoektocht zijn twee onderzoekslijnen te onderscheiden. De eerste betrof de gezondheid van bewoners en hulpverleners: kon blootstelling aan stoffen uit het vliegtuig hun klachten verklaren? Die vragen kwamen een flinke tijd na het ongeval op, tenminste langer dan een jaar na het ongeval. De tweede vraag betrof de mogelijke militaire bestemming van de lading en vermoedens van geheimhouding: waren er goederen of stoffen vervoerd voor geheime wapenprogramma’s, en werd daarover informatie achtergehouden? (Ik merk op dat het ICAO Annex 13 veiligheidsonderzoek met beide vragen niet bezig hield, omdat er geen aanwijzingen waren voor de relatie tussen vliegtuigramp en gezondheid, noch voor een geheim wapentransport).
Dit onderscheid helpt de ontwikkeling van het dossier te begrijpen. Het is een analytische indeling van vragen, geen strikte verdeling van mensen. Bewoners konden vragen hebben over wapentransporten, terwijl journalisten en politici zich ook om gezondheidsklachten bekommerden. En andersom, dat bewoners vragen hadden over ziekte, en journalisten over verborgen wapentransporten. Bovendien moet steeds onderscheid worden gemaakt tussen een vermoeden dat onderzoek uitlokte en een conclusie die door bewijs werd gedragen.
De maatschappelijke vraag naar gezondheid en blootstelling.
Voor bewoners en hulpverleners die gezondheidsklachten ondervonden, was de mogelijke relatie met de ramp een belangrijke vraag. Wat kon er bij de brand zijn vrijgekomen? Waaraan waren zij mogelijk blootgesteld? Kon informatie over de lading bijdragen aan een verklaring, passende zorg of duidelijkheid over hun gezondheid?
Deze vragen verdienen een eigen beoordeling. Een klacht staat niet pas vast wanneer de oorzaak ervan bekend is. Tegelijk bewijst het bestaan van klachten nog niet dat een bepaalde stof de oorzaak was. Voor zo’n oorzakelijk verband zijn afzonderlijke gegevens nodig over onder meer de aanwezigheid van een stof, het vrijkomen ervan en de daadwerkelijke blootstelling.
Het gezondheidsvraagstuk kon daarom niet worden opgelost door uitsluitend een vrachtlijst te reconstrueren. Weten welke stoffen werden vervoerd is een andere stap dan vaststellen of mensen daarvan een schadelijke hoeveelheid hebben binnengekregen.
De zoektocht naar militaire lading en mogelijke geheimhouding.
Daarnaast bestond een onderzoekslijn die draaide om een mogelijke militaire of strategische betekenis van de vracht. Die lijn kon vragen oproepen over wapentransporten, exportregels, de bestemming van stoffen en de volledigheid van overheidsinformatie. Dat waren journalistiek en politiek relevante vragen, ook los van mogelijke gezondheidsschade.
De geraadpleegde bronnen laten zien dat dergelijke verdenkingen daadwerkelijk een rol speelden. Volgens het rapport van de parlementaire enquête verbond Vincent Dekker in zijn boek uit 1994 de mannen in witte pakken met het verdwijnen van de cockpitvoicerecorder en het mogelijk afvoeren van resten van militaire lading en verarmd uranium. Het rapport beschrijft vervolgens hoe speculaties over onder meer de Mossad door andere media werden overgenomen. Dat documenteert het bestaan en de verspreiding van een verdenkingskader; het bevestigt de daarin veronderstelde geheime operatie niet.[2]
Binnen deze onderzoekslijn is nauwkeurig taalgebruik noodzakelijk. Militaire onderdelen zijn geen kernwapens. Een nucleaire verdenking is niet hetzelfde als een vastgesteld transport van nucleair materiaal. Evenmin bewijst een stof die voor chemischewapenproductie kan worden gebruikt dat zij daarvoor bestemd was. Ook chemische en biologische wapens zijn verschillende categorieën. Wie die begrippen samenvoegt, maakt de verdenking omvangrijker zonder het bewijs sterker te maken.
Wat de chronologie bij Vasterman laat zien.
Mediasocioloog Peter Vasterman legt in zijn onderzoek nadruk op de wisselwerking tussen berichtgeving, ongerustheid en de toeschrijving van gezondheidsklachten aan de ramp. Toch begint zijn eigen beschrijving van het ladingsdossier niet bij ziekte. In de samenvatting van zijn boekhoofdstuk noemt hij al voor eind oktober 1992 geruchten over mogelijke militaire lading. De berichtgeving over giftige stoffen en gezondheidsklachten plaatst hij ongeveer een jaar later.[1]
Zijn chronologie ondersteunt dus dat belangstelling voor militaire vracht niet eenvoudig kan worden verklaard vanuit de latere koppeling tussen lading en ziekte. Tegelijk beschrijft hij hoe het vermoeden dat de overheid de oorzaak van gezondheidsklachten verborgen hield een overkoepelend kader voor de berichtgeving werd.[1]
Het onderscheid tussen twee onderzoekslijnen is daarmee een aanvulling op zijn benadering. Het maakt afzonderlijk zichtbaar welke verdenkingen journalisten onderzochten en waardoor hun zoektocht maatschappelijk zoveel gewicht kreeg. Welke verdenking voor welke journalist doorslaggevend was, vergt nader onderzoek naar diens publicaties, bronnen en werkwijze.
Twee voorbeelden uit de berichtgeving.
Op 30 september 1998 publiceerde Karel Knip in NRC Handelsblad over DMMP onder de kop ‘El Al-zending genoeg voor 270 kilo zenuwgas Sarin’. Het artikel richtte zich nadrukkelijk op de mogelijke bestemming van de stof voor sarinproductie en op het Israëlische onderzoeksinstituut in Ness Ziona. Het besprak daarnaast andere toepassingen en onderzoek naar bescherming en ontsmetting.[3]
Dit artikel laat de zelfstandige betekenis van de militaire onderzoekslijn zien. De vraag waarvoor een ontvanger een stof wilde gebruiken, verschilt van de vraag of bewoners bij de ramp aan die stof waren blootgesteld. Het artikel kan worden gebruikt om de toenmalige journalistieke invalshoek te reconstrueren; de daarin besproken vermoedens bewijzen op zichzelf geen offensief wapenprogramma.
Een tweede voorbeeld staat in een debatverslag van Max Arian en Joris van Casteren in De Groene Amsterdammer van 26 mei 1999. Dekker zegt daarin over het plutoniumverhaal: ‘Dat verhaal heb ik vier jaar lang onder de pet gehouden.’ Hij verklaart dat het NRC-bericht over de grondstof voor sarin aanleiding was om alsnog te publiceren. Daarbij erkent hij dat zijn publicatie voorbarig was.[4]
Die verklaring maakt zichtbaar hoe een bericht over een chemische grondstof een al bestaande nucleaire verdenking opnieuw kon activeren. Zij bewijst niet dat die nucleaire verdenking Dekkers gehele onderzoek bepaalde. Wel onderstreept zij dat zijn belangstelling voor de lading meer omvatte dan de mogelijke verklaring van gezondheidsklachten.
Hoe de lijnen elkaar konden versterken.
De twee onderzoekslijnen konden elkaar voortdurend nieuwe betekenis geven. Een bericht over een mogelijk wapengerelateerde stof kon de vrees voor blootstelling vergroten. Gezondheidsklachten konden vervolgens worden opgevat als aanleiding om verder naar verborgen lading te zoeken. Ontbrekende informatie kon binnen beide lijnen het wantrouwen versterken.
Daarbij dreigt een cirkelredenering. Klachten worden dan beschouwd als aanwijzing voor geheime gevaarlijke vracht, terwijl de veronderstelde geheime vracht vervolgens als verklaring voor de klachten dient. Om die cirkel te doorbreken moet iedere stap afzonderlijk worden getoetst.
Onderzoeksvraag - Wat moet afzonderlijk worden vastgesteld
| Wat werd vervoerd? | Identiteit en hoeveelheid van goederen of stoffen |
| Waarvoor was het bestemd ?| Ontvanger, toepassing en eventuele militaire bestemming |
| Wat kwam vrij ?| Omstandigheden van brand en verspreiding |
| Wie werd blootgesteld ?| Plaats, duur en omvang van blootstelling |
| Wat verklaart de klachten ?| Medische en epidemiologische onderbouwing |
| Werd informatie achtergehouden ?| Welke informatie beschikbaar was, bij wie en welke handelingen volgden |
Een aanwijzing voor de ene vraag is niet automatisch bewijs voor het antwoord op een andere. Ook de bewering dat informatie bewust werd achtergehouden vraagt meer dan de constatering dat een document ontbrak of een antwoord onvolledig was.
Wat dit onderscheid oplevert.
De beschikbare bronnen ondersteunen het bestaan van beide onderzoekslijnen. Zij rechtvaardigen nog niet de algemene conclusie dat de gehele zoektocht voornamelijk door vermoedens van nucleaire, chemische of biologische wapentransporten werd gedreven. Evenmin is het voldoende om alle journalistieke belangstelling voor militaire lading uitsluitend uit bezorgdheid over ziekten te verklaren.
Door de lijnen afzonderlijk te onderzoeken, wordt ook duidelijker welke verantwoordelijkheid bij onderzoekers, journalisten en politici ligt. Een hypothese over wapentransporten moet worden beoordeeld op het bewijs daarvoor. Een gezondheidsvraag moet worden onderzocht met gegevens over blootstelling en gezondheid. Correcties in het ene dossier mogen niet ongemerkt verdwijnen in het andere.
De reden waarom iemand naar de lading bleef zoeken, hoeft niet dezelfde te zijn als de reden waarom die zoektocht voor bewoners zo belangrijk was. Wie dat onderscheid bewaart, kan zowel de zorgen van betrokkenen als de journalistieke en politieke reconstructies nauwkeuriger beoordelen.
Wanneer een onderzoekslijn kan worden afgesloten
Het onderscheid tussen beide onderzoekslijnen roept ook de vraag op wanneer verder zoeken nog zinvol is. Na decennia onderzoek kan niet iedere oorspronkelijke verdenking dezelfde status behouden. Een onderzoekslijn hoeft niet open te blijven totdat iedere denkbare mogelijkheid is uitgesloten. Voortzetting vraagt een concrete aanwijzing, een toetsbare vraag en een onderzoeksmethode die nog een betekenisvol antwoord kan opleveren.
Voor de zoektocht naar een verborgen lading als verklaring voor langdurige gezondheidsklachten zijn de medische bevindingen daarom belangrijk. Het onderzoek onder professionele hulpverleners liet meer gerapporteerde lichamelijke en psychische klachten zien, maar geen overeenkomstige verschillen in de onderzochte laboratoriumuitslagen die een verklaring door schadelijke blootstelling ondersteunden. Het Medisch Onderzoek Vliegramp Bijlmermeer werd in december 2004 formeel afgerond. Dat de zorgen daarmee niet verdwenen, werd in de afsluitende Kamerbrief uitdrukkelijk benoemd. zoek.officielebekendmakingen.nl
Deze uitkomsten moeten zorgvuldig worden weergegeven. De bewering dat er geen enkele giftige stof aanwezig was of kon zijn vrijgekomen, gaat te ver. Het RIVM hield rekening met schadelijke stoffen uit de brand en mogelijke acute effecten. Ook kende het medische onderzoek grenzen. Het epidemiologische onderzoek onder bewoners werd wegens te geringe deelname stopgezet; de uitkomsten bij hulpverleners mogen daarom niet zonder meer op alle bewoners worden overgedragen. Geen van deze beperkingen levert op zichzelf bewijs voor een verborgen ziekteverwekkende lading. www.rivm.nl
Mijn conclusie is dat het verantwoord is de voortdurende zoektocht naar zo’n lading als verklaring voor langdurige klachten af te sluiten, zolang concrete nieuwe aanwijzingen ontbreken. Dat is een oordeel over de zin van verder onderzoek op basis van het beschikbare bewijs. Het is geen uitspraak dat iedere individuele klacht volledig verklaard is, of dat alle denkbare blootstelling achteraf met zekerheid kan worden uitgesloten.
Voor de tweede onderzoekslijn geldt een afzonderlijke afweging. Medische uitkomsten bepalen niet of goederen voor militaire toepassingen bestemd waren of dat informatie daarover bewust werd achtergehouden. Die vragen moeten worden beantwoord met vrachtgegevens, correspondentie, verklaringen en andere controleerbare bronnen. Maar ook deze lijn kan niet onbeperkt worden voortgezet op basis van de gedachte dat ontbrekend bewijs juist op succesvolle geheimhouding wijst. Wie een verdenking handhaaft, moet aangeven welke specifieke bewering nog openstaat en welke betrouwbare aanwijzingen verder onderzoek rechtvaardigen.
Beide lijnen mogen daarbij niet opnieuw in elkaar worden geschoven. Gezondheidsklachten zijn geen vervangend bewijs voor een wapentransport. Een vermoeden over de militaire bestemming van een stof bewijst evenmin dat bewoners eraan zijn blootgesteld of daardoor ziek zijn geworden. Iedere verbinding tussen vracht, blootstelling en ziekte vereist eigen onderbouwing.
Afsluiting hoeft bovendien niet onherroepelijk te zijn. Een nieuw, authentiek document of een andere betrouwbare bevinding kan aanleiding geven een specifieke vraag opnieuw te onderzoeken. Daarvoor moet wel duidelijk zijn wat die informatie toevoegt en welke eerdere conclusie zij mogelijk verandert. De algemene mogelijkheid dat ergens nog onbekende informatie bestaat, is onvoldoende reden om een oude verdenking voortdurend als actuele onderzoekshypothese te presenteren.
Zorg en erkenning blijven intussen een eigen verantwoordelijkheid. Mensen met aanhoudende klachten hebben behoefte aan passende zorg, ook wanneer een verklaring door schadelijke stoffen niet is aangetoond. Historisch onderzoek naar de vracht, de informatievoorziening en het ontstaan van de verdenkingen kan eveneens waardevol blijven. Het doel daarvan is dan de geschiedenis beter te begrijpen.
Een onderzoekslijn verantwoord afsluiten betekent dat de conclusie mag meewegen in wat we daarna nog onderzoeken. Het betekent niet dat de mensen om wie het onderzoek begon, worden afgesloten van zorg of erkenning.
Bronnen en verantwoording.
Dit hoofdstuk onderscheidt historische brongegevens van een analytische interpretatie daarvan. Het PIN-register van de onderzoeksassistent is gebruikt om bronnen te vinden; de onderstaande documenten zijn inhoudelijk geraadpleegd.
1. Vasterman, P. (2004). *Hoofdstuk 5 Mediahypes en de sociale amplificatie van gezondheidsrisico’s*. Samenvatting uit *Mediahype*, pp. 1–2. In het PIN-register opgenomen onder PIN 20220805-01. [Document](https://www.elal1862accidentinvestigation.nl/_downloads/9ff756bbcf9444b91ab447ef2bf02031).
2. Parlementaire enquêtecommissie vliegramp Bijlmermeer. (1999). *Een beladen vlucht*. Kamerstukken II 1998/99, 26 241, nr. 9, § 3.9.1. [Officiële publicatie](https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-26241-9.html).
3. Knip, K. (1998, 30 september). *El Al-zending genoeg voor 270 kilo zenuwgas Sarin*. NRC Handelsblad. Opgenomen onder PIN 19980930. [Document](https://www.elal1862accidentinvestigation.nl/_downloads/c52219c6411d63055961ede67fa065de).
4. Arian, M., & Van Casteren, J. (1999, 26 mei). *Verkeerde lading. Wie zaaide nu eigenlijk al die onrust na de Bijlmerramp?* De Groene Amsterdammer. Debatverslag, opnieuw gepubliceerd op het blog van Peter Vasterman. [Tekst](https://vasterman.blogspot.com/1999/05/verkeerde-lading-wie-zaaide-nu.html).